
Het distributiekantoor in St.-Annaparochie
Marten Kuik
Eerlijke verdeling
Levensmiddelen, textiel, schoenen, fietsbanden en andere goederen waren schaars in de Tweede Wereldoorlog. De overheid zorgde voor een eerlijke verdeling: producten waar een tekort aan was, waren alleen verkrijgbaar met een bon. De overheid bepaalde op hoeveel voedsel iedereen recht had en stelde de verkoopprijzen vast. Mensen met zwaar werk, zieken en zwangere vrouwen hadden recht op meer eten.
Direct bij de boeren kopen was tijdens de oorlog verboden, omdat op die manier het distributiesysteem omzeild zou worden. Er waren in Nederland ongeveer 700 distributiekantoren, waar in totaal 12.000 ambtenaren werkten.
Hoe werkte het distributiesysteem? De bevolking moest haar bonnen ophalen op het distributiekantoor. In de winkels konden klanten met geld en bonnen hun producten kopen. De winkelier moest alle bonnen vervolgens netjes inleveren bij het lokale distributiekantoor. Door het verzet werden gedurende de oorlog kantoren soms overvallen om aan bonnen voor onderduikers te komen.
Achter de Albert Heijn
Ook in Sint-Annaparochie was een distributiekantoor gevestigd. Wie in de Warmoesstraat bij AH naar binnenwandelt en de Etos en Gall en Gall rechts laat liggen, komt via de draaideuren aan de achterzijde uit. Daar staan nu fietsen, boodschappenwagens en auto’s geparkeerd. Op die plek stond het lokale distributiekantoor, opgetrokken uit bruine en gele baksteen. Daar haalden inwoners van de gemeenten Barradeel en Het Bildt in de oorlog hun bonnen. Er werkten ongeveer 45 personen en aan het hoofd ervan stond burgemeester Kuperus. Een van die medewerkers was Renze Kuik. Na de oorlog vertrouwde hij zijn herinneringen toe aan het papier. Ik maak daar in dit artikel dankbaar gebruik van.
Inefficiënte Organisatie
We nemen een kijkje in het kantoor. Daar zien we drie ploegen van elk vijf personen aan lange tafels zitten. De klant geeft een stamkaart met een inlegvel aan nummer 1 van de groep. Deze knipt het bonnetje van het inlegvel en legt dit in de stamkaart. Hij schuift stamkaart, inlegvel en bonnetje door naar nummer 2. Deze zet één streepje van een kruis in de stamkaart en geeft het zaakje door aan nummer 3. Die zet het tweede streepje van een kruis en schuift de papieren door naar nummer 4. Nummer 4 is de belangrijkste persoon: hij verstrekt na inneming van het afgeknipte bonnetje de nieuwe bonkaart. Nummer 5 controleert of alles correct is verlopen. Wat een omslachtig gedoe, zult u denken. De officiële lezing luidde dat deze inefficiëntie nodig was om fraude te voorkomen. De ware reden was echter, dat het Centraal Distributiekantoor deze maatregel had genomen om uitzending van jonge mannen naar de Duitse oorlogsindustrie te voorkomen!
Schippers
Veel scheepvaart is er in Sint-Annaparochie nooit geweest. Zo nu en dan lagen er wat schepen in de Kaaivaart met steenkool voor de gasfabriek en bij het ‘Súdeand’ - in de herfst - wat bietenschepen. De schippers hadden een bijzonder codenummer op hun inlegvel. Zij konden daarmee in het hele land terecht voor hun bonnen. “Gemiddeld reikten wij per maand ongeveer 140 bonkaarten aan ‘schippers’ uit”, aldus Renze Kuik. Deze bonkaarten kwamen haast allemaal terecht bij de illegaliteit en uiteindelijk bij de onderduikers.
Bonnen voor de burgemeester
Burgemeester Kuperus weigerde aan de Duitsers ‘weerbare mannen’ te leveren om het vliegveld van Leeuwarden te herstellen na de zware bombardementen van de Engelsen. Hij en andere ambtenaren hebben op zondag 17 september 1944 stempels en documenten verdonkeremaand, alle bureaus op slot gedaan en het gemeentehuis afgesloten. Op de maandag erna namen de Duitsers wraak: zij staken de mooie villa van de burgemeester aan de ‘Westerdyk’ (nu Statenweg) in brand. Burgemeester Kuperus en het hele secretariepersoneel moesten onderduiken. Kuperus vond een schuilplaats bij boer De Jong op Halfweg, tussen de Oude- en Nieuwebildtdijk.
Renze Kuik: “Ik liep de hele dag met de stamkaarten van de burgemeester en zijn gezin op zak. Wat nog nooit eerder gebeurd was, gebeurde toen. Ik reisde die dag met een auto van de gebroeders De Jong. Ter hoogte van de Vlaswiek werden wij staande gehouden door een Duitse patrouille. De hele wagen werd uitgekamd, maar ik werd niet gefouilleerd.“ Het had er anders donker uitgezien…
‘Malle Douwe’
We gaan in gedachten naar het gehucht Koehool. Daar woonde Douwe Hoekstra, in de volksmond ‘malle Douwe' genoemd. Deze man was gehaat en gevreesd tot in de wijde omtrek. Op het dak van zijn huis had hij met grote letters aangebracht de veelzeggende spreuk: ‘Duitsland wint op alle fronten'. Zijn vrouw was erg vruchtbaar: ze baarde ieder jaar een gezonde baby, met namen als Adolph en Hermann. Als de kleren van de kinderen weer eens versleten waren, schreef Douwe geregeld briefjes naar het distributiekantoor: "Wat zou de grote Adolph wel zeggen wanneer hij de kleine Adolph in zijn versleten broekje zag scharrelen?”
Het gezin werd met bonnen overladen. Iedere maand kwam de familie opdagen met een formulier waarmee extra levensmiddelen konden worden verstrekt. Dit formulier moest worden ondertekend door ene majoor Crans. Op een dag kwam een zoon van Douwe met twee formulieren op kantoor. Het ene formulier was ondertekend door Crans met een C, het andere door Krans met een K. We hadden meteen in de gaten dat de formulieren door henzelf waren ingevuld en ondertekend. Renze Kuik: “Het gevolg was dat ik niet tot verstrekking overging, maar de formulieren innam ter inspectie te Leeuwarden.”
Een half uur later kwam Hoekstra jr. terug met twee brullende Duitse militairen. Ze schreeuwden: “Jij hebt de Duitse weermacht beledigd.” De aanwezige politieman kwam huilend naast mij staan en riep almaar: “Kuik, geef hun toch die bonnen, anders worden wij allebei gearresteerd.” Ik werd toen echt des duivels en verstrekte niet.
Onder de vreselijkste verwensingen droop toen het drietal af. De formulieren werden in Leeuwarden onderzocht en ik kreeg een pluimpje voor mijn oplettendheid van majoor C. Crans. Met een C. Maar ‘Malle Douwe’ had tijdenlang geprofiteerd van valsheid in geschrifte. Daar baalde ik van.
Tot 1950
Ook na de oorlog waren veel goederen schaars. Daarom bleven vele ambtenaren van distributiekantoren actief. Tot 1950 kon koffie alleen ‘op de bon' worden gekocht. Ook baby's die vlak na de oorlog zijn geboren kregen een stamkaart. Die van Mera Jes (geb. 1948) getuigt daarvan.
Tijdens de hoogtijdagen van de goed functionerende distributiekantoren verstrekten 12.000 medewerkers per week zo'n 60 miljoen bonnen voor een eerlijke verdeling van schaarse artikelen. Daarna nam de welvaart in ons land toe, verdween de schaarste en waren de kantoren overbodig.



