Schoffie
Mijn naam is Schoffie en ik ben geboren in een druk gezin met zeven kinderen, hun mamma en pappa, mijn vader, moeder en zusje. Ik weet niet of ik het daar leuk vond, daar was ik te klein voor. Op een dag kwamen twee oude mensen langs om mij te bekijken. De man ging op de grond liggen, alsof hij wilde spelen, dus ging ik dat doen. Ik vond hem leuk.
Een heleboel dagen later kwamen ze weer en namen me mee mijn huis uit. Ik moest in een groot ding met een bank. Het ding ging bewegen en toen moest ik spugen.
Op de bank zat nog een hond, een teefje, iets groter dan ik en heel lief, net als mijn moeder. De oude mensen noemden haar Jassja. Ik had nog geen naam.
We moesten lang in dat ding zitten, tot we naar buiten mochten. Gelukkig maar, want ik moest weer nodig.
We gingen een huis binnen, waar het heel anders rook dan thuis. Gelukkig stond er eten en water. Wat was het daar stil, er waren geen kinderen, alleen die twee oude mensen en Jassja. Ze waren lief voor mij, ik werd veel geaaid, maar ik was moe en wilde slapen, met Jassja in een mandje. Dat voelde veilig.
Wat later moest ik weer in dat glimmende ding met mijn baasje, zonder Jassja en gingen we weer heel lang rijden naar weer een ander huis, met weer andere honden op straat. Eentje kwam wel eens bij ons thuis: Nando, dat werd mijn vriendje.
Vaak reden we weer terug naar dat andere huis met die mevrouw en Jassja. Dat vond ik wel leuk, twee verschillende huizen en mijn baasje ook, want die vond die mevrouw heel lief, dat had ik wel in de gaten.
We gingen ook vaak met z'n vieren weg. Soms naar een plek met zacht zand en water, dat heel vies smaakte. Daar kon je met heel veel honden spelen en blaffen. Heerlijk vonden Jassja en ik dat.
Heel veel later gingen weer naar een ander huis, met heel veel kamers en een hele grote tuin. Daar gingen we wonen met pappa, mamma, Jassja en ik.
Daar moest ik wennen aan andere honden en aan het grote bos waar we elke dag gingen lopen, want daar mochten we los. Daar zag ik op een dag een teefje, zo mooi dat ik er gelijk verliefd op werd. Zij gelukkig ook op mij, dus konden we lekker zoenen en rennen en zoenen.
Ik begon te wennen aan onze nieuwe plek en het grote huis, dat ik natuurlijk wel moet bewaken. Als pappa en mamma 's avonds naar boven gaan, maak ik mijn rondje, kijk ik onder het bed en als alles veilig is, ga ik naar beneden om daar alles in de gaten te houden.
Het leven is daar goed, alleen wordt Jassja krakkemikkig. Ze ziet niet goed meer en durft soms de trap niet af. Dan zegt pappa: ga Jassja halen en ren ik naar boven, geef haar een neus en blijf naast haar lopen. Dan durft ze wel. Soms ben ik wel lief, al heet ik Schoffie.
Anita Löwenhardt